Afgelopen week overleed GM Jan Timman, Nederlandse sterkste schaker ooit (en al zeker de sterkste zonder wereldtitel). Hij was 74 en al een jaar of wat ernstig ziek. Voor de jongeren onder ons is het misschien een vage naam uit verre tijden, maar in de jaren 70-90 van de vorige eeuw behoorde hij tot de absolute wereldtop. Hij bracht het tot nummer 2 van de wereld, met een maximale rating van 2680. Anders dan zijn grote voorganger Max Euwe werd hij nooit wereldkampioen, maar dat doet weinig af aan zijn buitengewone klasse.
Timman werd geboren in Amsterdam op 14 december 1951 en leerde (van zijn vader) schaken toen hij 8 was. Al snel bleek dat hij heel veel talent had. Zo wist hij als 12-jarige in een simultaan remise te houden tegen Euwe. Hij werd IM op z’n 19de en GM op zijn 23ste. Tuissen 1974 en 1996 werd hij 9 keer Nederlands kampioen, en tot 2004 vertegenwoordigde hij Nederland in maar liefst 13 olympiades. Interessant detail: in de Olympiade van 1974 in Nice stond Jan Hein Donner spontaan zijn plaats aan het eerste bord af aan de jonge Timman (de twee werden/waren overigens goed bevriend).
Hij won verder een keur aan grote tornooien (o.a. Hastings 1973/74, Wijk aan Zee 1981 en 1985, Las Palmas 1981, Linares 1988 …) en kwalificeerde zich meerdere malen voor het Kandidatentornooi. In 1990 verloor hij de finale van Karpov, die vervolgens nipt (12,5-11,5) de WK-match verloor van Kasparov (hun 4de en laatste titelgevecht). Een grote teleurstelling voor Timman, die zwaar de boot inging (6,5-2,5).
Drie jaar later volgde een heuse WK-match, met opnieuw Karpov, weliswaar nadat hij eerst de halve finale van Short had verloren, maar dank zij het ‘schisma’ – Kasparov en Short keerden FIDE de rug toe met hun eigen PCA (Professional Chess Association), om zelf hun WK-match te organiseren – door FIDE opnieuw werd opgevist voor een WK-match met voormalig wereldkampioen Karpov, bij gebrek aan regerend wereldkampioen en diens eigenlijke uitdager (beiden na hun demarche uit FIDE gezet). Timman verloor opnieuw, met vrij duidelijke cijfers (12,5-8,5), en noemde dat nog teleurstellender dan de vorige keer. Nadien zou Karpov het hem nog zelden lastig maken. Nog eens drie jaar later plaatste hij zich een laatste keer bij de beste acht, maar verloor van Salov (4,5-3,5).
Zoals hij zelf ook zegt, als kersverse 60-jarige, in een interview met schaakjournalist Gert Devreese[1] moest hij destijds alleen maar onderdoen voor de twee K’s. In 1982 was hij nummer 2 achter Karpov, acht jaar later stond hij op 3 na Kasparov en Karpov. Tussendoor moest hij vaak vrede nemen met een plaats meteen achter één van beiden, of allebei. In De Standaard van vrijdag laatstleden[2], in een mooi artikel over Timman, vertelt dezelfde auteur dat de Nederlander destijds de eretitel The Best of The West kreeg toegekend. Daar was hij wel trots op, en hij vond het ook terecht, al zei hij er meteen bij dat hij zich optrok aan (wat hij leerde van) de twee K’s, omdat hij niet zoveel beter was dan de spelers achter hem. Met Kasparov had hij schaakgewijs heel wat meer te stellen, maar desondanks kon hij hem wel een paar keer verslaan.
Als schaker was Timman allesbehalve een doetje voor zijn tegenstanders. Hij werd gevreesd om zijn zeer gevarieerde openingsrepertoire: bereid je maar eens voor op iemand die nagenoeg alles speelt en van alles zowat alle finesses blijkt te kennen. En dat in een tijd zonder computers en internet, waar analyseren, studeren en prepareren nog grotendeels met lei en griffel[3] dienden te gebeuren. Bij wijze van spreken toch. Nu redelijk ondenkbaar. Hij deed het echter niet alleen om het zijn tegenstanders moeilijk te maken, maar ook omdat altijd hetzelfde deuntje hem anders wellicht zou gaan vervelen. Journalist John Kuipers[4] daarover: “Hij houdt van afwisseling, alleen het Koningsgambiet komt niet op het bord.” En: “Hij speelt (iets) gewoon, onderzoekt en geniet van het onbekende. Hij schaakt angstvrij.” Volgens hem vertelde Timman ook dat er bij hem thuis altijdeen stelling op het schaakbord moest staan, hij moest iets hebben om naar te kijken. Een leeg bord of een beginstelling, dat ging helemaal niet.
In zijn krantenartikel vertelt Devreese nog heel wat over de mens achter de schaker. Timman was niet de nerd of studax die eigenlijk niet lijkt te beseffen dat er ook een leven is buiten het schaken. Hij was opgegroeid in de Swinging Sixties en wilde, een beetje naar de tijdsgeest, vooral vrij zijn, niet afhankelijk van de maatschappij met al haar regels, verwachtingen en eisen. Die vrijheid vond hij in het schaakleven. Met een krakkemikkig busje schuimt hij samen met zijn goede schaakvriend IM Hans Böhm Zuid-Europa af van tornooi tot tornooi. Reizen, culturele uitstappen en tornooien winnen is het devies. Böhm vertelde: “Jan was een echte levenskunstenaar. Hield ‘s avonds van zijn biertje of zijn wijntje. En met zijn lange, blonde krullen had hij in de seventies de looks van een popidool. Hij maakte de schaaksport populair in Nederland en moest de meisjes van zich afslaan.” Ja, er zijn zoveel ergere manieren om in het leven te staan. Timman zelf: “’s Avonds zaten wij schakers altijd op café. Het schaken speelde zich ook meer af op café, wij zaten niet voor de computer. De schaakwereld was een wereld van bohemiens. De vermaarde auteur en schaakcolumnist Jan Hein Donner was een goede vriend. Wij hadden veel belangstelling voor literatuur, kunst en de wereld en discussieerden daar graag over. Wij waren heel anders dan de monomane schakers anno 2026.”
In zijn latere jaren speelt Timman niet veel meer zelf, maar legt hij zich onder meer toe op schaakstudies maken en boeken schrijven. In 2024 doet hij nog één keer mee aan het Nederlands kampioenschap. Dat heeft het format van een bekertornooi, met rechtstreekse uitschakeling. Timman komt in de 1ste ronde (8ste finales) uit tegen Erwin l’Ami en speelt regulier twee keer remise. In de rapid-tiebreak moet hij echter buigen: hij verliest de 1ste partij en kan niet winnen in de 2de. Desondanks besluit hij: “Het schaken heeft me veel gegeven. Ik heb mijn gelukkige en opgewekte leven aan mijn schaaktalent te danken.”
Tot slot. Op wikipedia lees ik ook nog dat hij vooral spelanalyses, maar ook biografieën en verhalen uit de schaakwereld aan het papier toevertrouwde, dat hij in 1984 ook hoofdredacteur werd van New in Chess (NIC) en dat hij befaamd was, internationaal, voor zijn vele eindspelstudies. Opmerkelijk: hij schreef ook een introductie (64+1) op De ontdekking van de hemel, het magnum opus van Harry Mulisch, waarin o.m. Jan Hein Donner een rol speelt. De heren kenden elkaar natuurlijk allemaal. Hij was blijkbaar ook een kenner van Dostojevski, en wie kan dat zeggen? Een en ander is wel veelbetekenend, want het getuigt van de brede interesse en de grote veelzijdigheid van Jan Timman. Dat hij in vrede moge rusten.
[1] Gert Devreese: My Most Memorable Interviews. 35 Conversation with Chess Stars, 2022, p. 195-206. Zoals velen zich zullen herinneren, is de auteur zijn boek een paar jaar geleden (zelf komen voorstellen op een wekelijkse clubavond (om precies te zijn: op 4 juli 2023).
[2] Gert Devreese: Jan Timman (1951-2026), bon vivant, bohemien en toch bijna wereldkampioen schaken: “Ik wilde gewoon niet vroeg opstaan”, in De Standaard, 20 februari 2026
[3] Wie het wegens niet oud genoeg niet zou weten: lei en griffel waren een herbruikbaar schrijfplankje van leisteen en een schrijfstift van zachte steen of ook leisteen, nog in dorpsscholen in gebruik tot in de jaren (19)60, tot potlood/pen en papier het overnamen. In mijn prilste schooljaren heb ik ze nog geweten. O, wat zijn de tijden veranderd …
[4] John Kuipers: Jan Timman. De geest van het spel. NIC, 2011, p. 65


Herman , 1 klein foutje. ‘zijn goede schaakvriend GM Hans Böhm’ : Hans werd IM , maar nooit GM. 1 keer was hij er erg dichtbij. Nog 1 partij moest hij winnen in de laatste ronde van een toernooi . Regenstander ; Jan Timman. Iedereen dacht : dat komt dus wel goed , 2 goeie vrienden. Maar ne hoor , laten winnen kon Timman niet , en Jan won…..
Dank voor de correctie, Jan. Ik had het overgenomen van het artikel van Devreese in de krant en er niet bij stilgestaan dat het niet klopte. Ik pas het aan.