Het tempo van de partijen in dit toernooi is 2 uur + 15 minuten en een halve minuut increment per zet. Een beetje ongewoon, maar dat kwartier extra kan van pas komen. Helaas volstond het voor mij net niet om het eindspel tegen de Amerikaanse FM Ethan Guo (2364) remise te houden. De jongeman (geboren in 2013) heeft er vijf uur voor nodig gehad maar uiteindelijk ging ik dan toch in de fout en moest ik lichtelijk gedegouteerd opgeven. Daarover zo dadelijk meer.

De toernooiorganisatie is prima, dat mag echt gezegd worden. Via whatsapp krijg je een seintje wanneer de paringen online staan, wanneer er nieuwe foto’s zijn en we krijgen zelfs richtlijnen om zo droog mogelijk ter plaatse te geraken als het slecht weer is. Gisterenmorgen bood de organisatie bovendien gratis koffie aan (de blizzard, remember) en bij heel guur weer, zoals gisteren, wordt gevraagd de klok van een nog niet opgedaagde tegenstander nog niet meteen in te drukken. Best sympathiek. Het enige wat een beetje minimaal is, is de zaal om partijen na afloop te analyseren: te weinig, je moet wachten tot er een bord vrijkomt. Gelukkig heb ik een reisschaakset meegebracht. Nu er nog aan denken het mee te pakken naar het toernooi…

Tot nu toe had ik het nog niet over de andere Belgen, want per slot van rekening zijn we hier met z’n tienen. Er is weinig tijd voor een babbel en je ziet mekaar nauwelijks zitten tussen al dat volk, maar gisteren zorgde het toeval ervoor dat ik naast Arno Sterck (2252) zat. Hij vertelde me dat hij in de eerste ronde verloren had van een lager gequoteerde tegenstander. Het was hem in een ander toernooi ook overkomen tegen een Chinese schaker van 1900 ELO die in dat toernooi wel een IM-norm scoorde. Om het nog maar eens te herhalen: ELO zegt lang niet alles. Maar goed, de Belgen dus. Maarten De Vleesschauwer (2277) en Mathieu Loncke (2263) hebben nu drie uit vier. Loncke verloor nog niet en hield twee IM’s op remise. Arno Sterck, Nirina Labruyere (1836) en ikzelf hebben twee punten. Andy Baert (2117) en Carlo Janssens (2028) zullen met anderhalf punt ongetwijfeld niet tevreden zijn gezien hun tegenstand. En Sam Zeebroeck (1978) kon zijn stunt van ronde 1 geen vervolg geven. Net als Sander Tant (1623) en Jakob Dufour (1609) heeft hij een punt. Iedereen is daarmee wel van de nul af. We zien in alle ronden de typische kenmerken van de Zwitserse paring: krijg je een ronde een haalbare tegenstander en scoor je ook, dan mag je de volgende ronde tegen iemand die jou een haalbare tegenstander vindt… En om het nog even over de toppers te hebben: in de stand is GM Tabatabaei nog de enige met het maximum van de punten. Een twintigtal achtervolgers heeft een half punt minder.

Over naar mijn partij. Na 16 zetten staat dit op het bord (juist, alweer een Maroczy-bind, ik was vast van plan het op dit toernooi zoveel mogelijk te spelen).

Ik zag hier vrij snel 17. Pd5! Na 7…exd5 18.exd5 Lxd5 19.cxd5 Te8 20.Te3 Lf8 21.Tb3 staat wit iets beter. De druk op d6 is weg, maar Lf8 staat passief, en wit kan goede plannen beginnen smeden. Ik kon echter 17…Lxd5 18.exd5 e5 niet goed inschatten en begon te twijfelen. In die variant lijkt mijn zwartveldige loper namelijk een meubelstuk te zijn en dat beviel me niet. Toch had ik hiervoor moeten gaan, want de keuzes die ik nadien maakte, gaven zwart het initiatief en gaandeweg verloor ik de greep op de partij. Ter illustratie deze stelling:

Zwart heeft het loperpaar en staat positioneel overwegend. Vroeg of laat loopt het echt mis voor wit. Wat ik hier wel zag, is dat ik nog remisekansen had door naar een eindspel toe te werken met ongelijke lopers en dat mocht me zelfs een pion kosten. Dat lukte ook (zoals wel vaker begin ik pas goed te spelen als het kalf half verdronken is) en onderstaande stelling ziet er inderdaad remise uit.

Het is money time en de gewone time is bijna op. Ik heb net 63…Tf2 gespeeld. Daarop volgde 63…f4+ en in plaats van 64.Kf3 (64…Ld5+ 65.Kg4 en zwart komt niet verder) te spelen, sloeg de schaakblindheid toe: 64… Kd2?? 65.Txf2 Lxf2 66.Lf1 en wit mag zijn twee pionnen adieu zeggen. Ook aan een eindspel met ongelijke lopers zijn remisegrenzen, dus gaf ik op. Een gemiste kans noemt men dat, maar morgen spelen we weer twee partijen. Opnieuw en beter!

Vanochtend heb ik van het droge en heldere weer geprofiteerd om cadeautjes te komen voor het thuisfront. Reykjavik telt twee straten waarin de ene souvenirwinkel na de andere volgt, hier en daar afgewisseld met een Bonus (zoiets als onze Carrefour), een Irish pub, de What’s On (het toeristisch centrum) en aan het eind een modernistische lutheraanse kathedraal met een toren waartoe je via een lift toegang hebt en een prachtig uitzicht krijgt over stad en omgeving. Met de winkeliers geraak je makkelijk aan de praat en zo kom je ook nog eens iets te weten. Een winkeldame vertelde me dat haar man een zeer beloftevolle jeugdschaker was die toernooien won tot in New York maar er nadien mee stopte. Auskerson heet hij, al ben ik niet zeker van de correcte spelling. Ik vond hem in Chessbase in elk geval niet terug. Daarnaast gaf ze me het advies iets te gaan eten in een zaak die Icelandic Street Food heet en waar je heerlijke ‘plokkfiskur’ kunt eten (Pascal, zegt het jou iets?), evenals niet te versmaden ‘meat soup’. Oké, waarom ook niet. Intussen wacht ik hier nog altijd op het noorderlicht. De app Aurora, een tip van Pascal, geeft daar info over, maar zowel overdag als ’s nachts is het hier overwegend bewolkt en zie je niks. Ik zal geluk moeten hebben…

Schaken mag dan moeilijk zijn, de IJslandse taal is dat ook. Zonder een les vergelijkende taalkunde te willen geven: het IJslands heeft door de eeuwen heen een stap naar vereenvoudiging overgeslagen. Door z’n isolement is het oorspronkelijke Oud-IJslands amper geëvolueerd, terwijl dat in heel wat westerse talen wel gebeurd is (van oud naar midden naar modern). De IJslanders halen daar wel een voordeel uit: ze kunnen middeleeuwse verhalen nog perfect lezen en begrijpen. Aangezien ze dol zijn op  mythen en sagen over Odin, Freya, Thor, Loki en al wat met elfen en trollen te maken heeft, komt dat perfect uit. Een en ander maakt de taal echter lastig om te leren. Om bijvoorbeeld tot vier te kunnen tellen moet je zomaar even 60 verschillende woorden kennen. Het gaat dan vooral om verbuigingen, maar toch. Of schaken gemakkelijker is? Tja, mathematisch gezien heb je na vier zetten toch ook al exponentieel veel mogelijkheden gehad.

Eén reactie op “Open Reykjavik (ronde 4)”
  1. Neen, plokkfiskur ken ik niet. Ik moet zeggen dat de typisch IJslandse gerechten me zo niet aanspraken. Met Hakari op kop. Dat is haai dat ze enkele maanden laten rotten in de grond. Je krijgt dat vervolgens op je bord vergezeld van brandewijn omdat de smaak anders niet te harden is. Rare jongens, die IJslanders.

Een reactie achterlaten

Off topic reactie | Meld een fout/klacht | Gedragscode

Opgelet, je bent niet ingelogd. Je reactie zal mogelijk eerst moeten worden goedgekeurd door de webmaster vooraleer ze op de website verschijnt.

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *