Starten met 0/6 in de Interclubcompetitie is nooit prettig. Je loopt bovendien het risico om de schietschijf van alle andere ploegen te worden (‘Van die mannen moeten we zeker winnen’). Gelukkig komt het voorlopig zo ver niet, want tegen een qua ELO sterker ChessLooks 1 Lier werd verdiend gewonnen. De einduitslag (2,5-3,5) had zelfs nog meer uitgesproken kunnen zijn. Tegelijk stellen we vast dat het flexibeler systeem bij de ploegopstelling, dat sinds dit seizoen in voege is, niet altijd even prettig is. Zo kregen Lucas en Jan, die op borden 5 en 4 zitten, onverwachts de twee topborden van Lier tegenover zich, of een verschil van meer dan 200 ELO per bord. Niets aan te doen, het zal allicht nog gebeuren… Alle spelers waren zo vriendelijk mij hun partijverloop door te sturen. Hier gaan we:

Pascal (bord 3, zwart, zie diagram):

Na wat geknoei in het middenspel kom ik in een moeilijke positie te staan, maar ik geraak terug in een gelijke stelling door in de diagramstelling niet terug te nemen op h8, maar de cruciale tussenzet 29… Lh3 te spelen. Zwart moet 30 Tg1 spelen om mat vermijden, waarna ik het paard pak op h8 en sowieso ook de kwaliteit nog terugwin. De stelling is dan volledig gelijk, maar om uit die wurggreep te geraken op g2, kiest mijn tegenstander het verkeerde plan, wat hem nog een pion kost. In het eindspel dat volgt heb ik licht voordeel vanwege de pluspion, maar wit speelt het vanaf hier wat slordig, zodat mijn voordeel steeds groter wordt en resulteert in winst.

Dries (bord 2, wit): In het vroege middenspel kon wit het loperpaar bemachtigen. De prijs daarvoor was een verhakkelde pionstructuur, weliswaar met overwicht in het centrum, en een onveilige koning. Het leek lang dat zwart met zijn paarden de zwakke witte pionnen succesvol kon aanvallen of op zijn minst goede velden kon veroveren voor zijn lichte stukken. Maar toen zwart een pion offerde (verloor) om zich volledig op verzwakte witte koningstelling te richten, kreeg wit even de tijd om zijn centrum te mobiliseren en zo de cöordinatie van de zwarte stukken te verstoren. Mataanval (of promotie van een pion) deden de rest. 1-0

Bart (bord 6, wit): Ik had een partij op gekend terrein. Zowel wat de locatie betreft, als wat er op het bord gebeurde. Dit zorgde voor rust en vertrouwen. Ik kon mijn stelling rustig opbouwen en profiteerde maximaal van een aantal passieve zetten van mijn tegenstander. Na 16 zetten stonden al mijn stukken op de velden die mij logisch lijken en stond zwart (met zijn koning nog in het centrum) in de verdrukking. Het was voor hem alle hens om de vele dreigingen van wit tegen te houden. Eventjes geraakte ik in paniek, want er waren weer veel mogelijkheden. Altijd gevaarlijk, want ik durf al eens een foute voortzetting te kiezen. Daarom dacht ik 35 minuten na om de nuttige tussenzet Lg2-h3 te spelen, die de stelling helemaal consolideerde en de wurging compleet maakte. Na een aantal thematische zetten brak de stelling van zwart en kon ik eenvoudig afwikkelen naar een stelling K D T en L, met één pionnetje meer voor wit. Belangrijker dan dat pionnetje was het feit dat mijn dame pal in het centrum van het bord stond en de zwarte stukken nog steeds passief. Ik moest nog even opletten wegens ik, maar ik had gezien dat ik geforceerd voor een matcombinatie kon gaan (mat in 6 bleek later, maar zover had ik niet doorgerekend). Zwart gaf sportief op. Eindelijk nog eens een vol punt binnen. Was toch al even geleden – misschien wel van de laatste ronde van het ZT toren tornooi, tegen – jawel – Chesslooks 1 :).

Lucas (bord 5, zwart): In mijn partij waren we ook beide snel ‘out of the book’. Ik rokeer lang en mijn tegenstander rokeert kort, wat ons allebei kansen gaf op een koningsaanval op lange termijn (met mijn koning op c8 niet superveilig maar wit stond met een pion op h4 en paard op g3 ook niet ideaal). In het middenspel heb ik meer ruimte en mijn dame staat ideaal op d4, maar mijn koningszijde geraakt moeilijk ontwikkeld met een loper op h6 tegenover een loper op c1 die we allebei niet op willen ruilen. Even later win ik een pion, maar ik moet hier wel wat activiteit voor geven. In de analyse achteraf dachten we dat deze activiteit niet genoeg was, dat zwart kan consolideren en dan gewoon beter komt te staan. Ik was dus vrij optimistisch. Maar in lichte tijdnood jaag ik een van zijn paarden op een fout moment weg met f6-f5, maar ik onderschat een tussenschaak. Een kleine nuance geeft wit plots wel genoeg activiteit en de tegenstander maakte het mooi af met een torenoffer…

Nicolaas (bord 1, zwart): Na een enigszins onconventionele opening, waarin we allebei veel tijd verbruikt hadden, had wit wat prettiger spel. Maar hij koos een te agressief plan op de verkeerde vleugel en plots bleek zijn koning de minder veilige te zijn. Met nog een tiental minuutjes voor een twintigtal zetten vond ik de juiste voortzetting voor de aanval niet en de partij verzandde in een toreneindspel waarin niet meer te beleven veel: remise.

Jan (bord 4, wit): Mijn tegenstander moet nogal wat tijd investeren in de opening (een zijvariant van het Spaans die ik al lang speel) en komt gaandeweg minder te staan. Ik krijg initiatief op de koningsvleugel. Door dameruil toe te staan verlies ik echter groot voordeel, al ziet de stelling er ook dan nog altijd heel veelbelovend uit voor wit. Zwart zit met een dubbelpion opgezadeld op de koningsvleugel en zijn paard lijkt zwakker dan wits loper. Dat is echter zonder de torens gerekend. Wits torens staan wat werkloos op de f-lijn, terwijl zwart de zijne heeft gecentraliseerd op e8 en e8. Wit zou graag zijn pionnenmeerderheid in het centrum ten gelde maken, maar dat lukt niet meteen. Als ik daarom mijn koning naar het centrum breng, merk ik te laat dat zwart meteen tegenspel krijgt dat me zelfs een pion kost. Het eindspel wordt erg complex en beide spelers laten na de beste zetten te doen. Uiteindelijk trekt zwart aan het langste eind.